1 Jun, 22:00, 571
x viewed
Ze zitten zwijgend in twee grote leunstoelen naast elkaar in de tuin, zoals ze bijna elke dag doen. Wanneer het wat kouder wordt, legt zij zorgzaam een deken over de benen van haar vriendin. Als het regent, zitten ze in de serre. Haar vriendin slaapt en zij kijkt naar de regendruppels die hun weg zoeken over het raam en naar de troosteloze natte tuin. Ze verlangt naar de warme zon die haar oude botten koestert.
De tuin is groot en staat in de zomer vol wilde bloemen. Vroeger noemden ze dat onkruid, maar sinds hun mobiliteit steeds meer afneemt, hebben ze een paar jaar geleden gezamenlijk besloten de tuin maar te laten voor wat hij is. Eén keer per jaar, meestal in de herfst, komt een jongen uit de buurt de dode bladeren en andere rommel weghalen. In de winter zitten ze meestal binnen bij de kachel, zelfs in het zuiden kan het flink koud zijn.
Al bijna zo lang ze zich kan herinneren, woont ze in Frankrijk, samen met haar vriendin, in een klein dorpje in het midden van het land. Ze leerden elkaar kennen toen ze een jaar of dertig waren en allebei alleen kwamen te staan met de zorg voor een paar jonge kinderen. Er ontstond een diepe vriendschap. Ze deelden dromen, verlangens en wensen voor de toekomst. Ze deelden een wanhopige zoektocht naar een geliefde om oud mee te worden. Ze deelden vrienden en vriendinnen, huizen, ambities en kleding en genoten van tijd tot tijd van elkaars lichaam.
Hun vriendschap was voor altijd en zou duren tot in de lengte der dagen. Die conclusie hadden ze getrokken toen ze elkaar een half jaar kenden. Ze voelden dat ze zielsverwanten waren en spraken af dat deze vriendschap nooit meer voorbij kon gaan.
Nu zijn ze oud en kijken de dood in de ogen. Hun gezondheid gaat zienderogen achteruit. Ze lopen beiden moeilijk en de geest van haar vriendin dwaalt rond in het verleden.
Er trekt een lichte huivering over haar rug. De laatste tijd heeft ze het steeds koud en haar knieën knikken als ze op wil staan. Haar vriendin is naast haar in slaap gedommeld. Ze kijkt even naar haar en ziet een glimp van de vrouw die ze vroeger was, een drukke, enthousiaste persoonlijkheid, verlegen en verongelijkt, toen al, dat het leven niet gaf wat ze hoopte. Zelf was ze net in de steek gelaten door haar man en ze kon het niet verkroppen dat hij haar afwees. Het voelde als gezichtsverlies en ze kon het zich niet voorstellen dat iemand haar niet meer wilde.
Ze zag zoveel overeenkomsten met die andere jonge vrouw, ze waren eenzaam en het klikte direct. Ze trokken samen op tegen de buitenwereld, tegen hen die anders waren dan zij, tegen hen die niet wilden zien hoe waardevol zij waren.
In het begin was het leuk. Ze voelden zich de koning te rijk en ze zouden het gaan maken. Het grote geluk zou komen, ze zouden zwemmen in luxe, beroemd worden en de man van hun leven vinden. Ze waren er van overtuigd dat dat ging gebeuren en alles en iedereen moest ervoor wijken.
Langzaam, naarmate de jaren vorderden, waren ze somber geworden. Ze ziet het nu wel een beetje. Ze hadden heel wat mensen tegen de haren in gestreken. Ze hadden vele vijanden gemaakt, ze waren als een stoomwals over iedereen heen gelopen. Hun arrogantie, ze glimlacht even als ze eraan denkt, kwam voort uit jaloezie en onzekerheid. Ze waren teveel met zichzelf ingenomen, al vindt ze, diep in haar hart, nog steeds dat ze bijzonder zijn en kwaliteiten bezitten die niet veel mensen hebben.
De beroemdheid en het grote geld waren echter nooit gekomen. Het huis waar ze al die tijd al wonen, is een bouwval en staat op het punt in te storten. Geld is er niet en elk dubbeltje moet omgedraaid worden om ten minste eten te kunnen kopen. Een geliefde hadden ze beiden nooit gevonden. Vrienden keerden zich van hun af, de kinderen groeiden op en gingen hun eigen weg. Ze zagen ze nooit meer.
De lucht betrekt en ze staat moeizaam op om haar vriendin te wekken. Het gaat zo regenen en ze kunnen beter naar binnen gaan. Haar vriendin kijkt haar verward aan met een verbeten blik in haar ogen.
“Wat is er, lieverd?”, vraagt ze.
“Komt hij nog eens? We moeten iets doen, de mensen, ik wil een man. Ik wil iedereen. Voor mij, alleen voor mij. Ze moeten hier komen. Ik ben mooi.”
Ze wordt bij haar arm gegrepen. Een oude hand wordt als een klauw om haar onderarm geslagen. De greep is nog stevig. Ze maakt wat susgeluidjes en trekt haar vriendin omhoog uit haar stoel. Gebogen en moeizaam wankelen ze naar de deur.
Ze weet het, eindelijk na zoveel jaren. Het einde is nabij, de lichamelijke schoonheid verloren, de dromen in rook opgegaan en illusies vervlogen in de ijle wind. Ze hebben slechts elkaar nog.
© La