“Mijn wieg schommelde boven een afgrond en mijn gezond verstand vertelde me dat ons bestaan niet meer is dan een vluchtig kiertje licht tussen twee eeuwigheden van duisternis.*”
Ik schrik op van mijn werk en draai me om naar het raam. Daar zit hij, mijn baas, de schrijver, in een leunstoel met zijn gezicht naar het raam gekeerd, zijn hoofd gebogen. Het late herfstzonnetje schijnt op zijn grijze haar.
“Wat bedoelt u, meneer?”
“Wat ik zeg, jongen.”
Hij draait zijn stoel en gaat rechtop zitten. Ik kijk hem onderzoekend aan. Hij knikt vriendelijk naar me en richt zijn ogen weer op zijn boek. Zijn bril hangt op het puntje van zijn neus. Zijn grijze haar is keurig achterover gekamd met een scheiding in het midden.
Hij is de laatste tijd vaker ver weg met zijn gedachten en ik kan hem niet altijd volgen. Als ik hem vraag waar hij aan denkt, dan mompelt hij wat. De meeste tijd zit hij te suffen, praat hardop of slaapt in zijn stoel.
Zijn hoofd zakt weer langzaam naar zijn borst, het laatste stukje met een schok. Een grote pluk stug grijs haar valt naar voren en blijft ergens halverwege de wakende en slapende wereld steken. Als ik hier onverwacht binnen zou komen, zou het op mijn lachspieren werken. Een gedistingeerde heer in een chique werkkamer met een pluk haar die ergens tussen hemel en aarde zweeft.
Ik ben eraan gewend en kan mezelf bijna niet bedwingen het haar terug te strijken in de goede richting. In plaats daarvan schud ik zijn schouder even. Hij schrikt. “Wat is er, jong?”
“Volgens mij viel u in slaap. U was aan het praten over een wieg en een afgrond.”
“Ik weet het niet, jong, ik denk dat ik hardop droom.”
Hij gaat weer rechtop zitten en pakt zijn boek met twee handen beet. Vanuit mijn ooghoek zie ik zijn grijze haar weer naar voren glijden. Het boek valt op de grond en ik pak het op. Nabokov, zijn biografie, autobiografie zelfs. Ik sla het boek open. Dat zei hij dus. De eerste zin uit het boek. Opeens maak ik me zorgen om mijn baas. Hij is de laatste tijd een beetje verward en hij valt voortdurend in slaap. Het zal zijn leeftijd wellicht zijn.
Wat moet hij trouwens met Nabokov? Van hem mag je toch wel verwachten dat hij dat werk al kent. Nabokov, de man die
Lolita schreef, het boek dat ik stiekem las toen ik zestien was. Ik wilde het op mijn Engelse lijst zetten op de middelbare school, maar dat was verboden. Een reden werd er nooit bij gegeven.
Lolita, light of my life, fire of my loins. My sin, my soul. Lo-lee-ta: the tip of the tongue taking a trip of three steps down the palate to tap, at three, on the teeth. Lo. Lee. Ta.
Die duizelingwekkende zinnen vergeet ik nooit meer. Ik repeteerde het als ik op de fiets zat en onder de douche stond. Ik proefde het voorzichtig op mijn tong. Ik las en herlas het boek en werd verliefd op Lolita. Ik droomde over haar, haar naam zat als een liedje in mijn hoofd.
Nu, zo’n tien jaar later tref ik mijn baas opeens aan met de biografie van de schrijver van
Lolita, de man in wiens hoofd zij ontstond en het verboden verlangen gestalte kreeg. Nabokov werd mijn voorbeeld, niet de dommelende schrijver naast me, ook al denkt hij dat wel.
De oude schrijver is inmiddels in diepe slaap en snurkt een beetje. Ik ben sinds kort zijn P.A., zijn hulpje zal ik maar zeggen. Ik mag zijn manuscripten nalezen op foutjes, zijn afspraken regelen met de uitgever en kopjes koffie voor hem inschenken. Het is een leuk baantje. Al vraag ik me af waar hij me van betaalt. Ik ken de verkoopcijfers van zijn boeken en dat stelt niet veel voor. Zijn uitgever moppert en wil dat hij nu eindelijk eens een bestseller gaat schrijven.
De schrijver is echter van zichzelf en zijn eigen werk overtuigd en trekt zijn eigen spoor door letterenland. Hij luistert naar niets of niemand. Al jarenlang publiceert hij aan de lopende band boeken die de normale boekhandels niet eens halen. Ze gaan direct de ramsj in en ik vermoed dat er hele stapels bij het oud papier terecht komen.
Arme schrijver, dolend tussen twee werelden, slijt hij zijn dagen. De hoop is nog niet vervlogen, maar de realiteitszin neemt af naarmate zijn leeftijd vordert. In zijn hoofd leeft hij in het grote land der letteren, in de echte wereld is hij een onbetekenend schrijvertje. Ik zal dat nooit tegen hem zeggen. Ik kijk wel uit, immers, wiens brood men eet, diens woord men spreekt...
Hij murmelt in zijn slaap, de oude man. Wat zegt hij nu? Ik loop naar hem toe en probeer te onderscheiden wat hij zegt.
“Lo-Lee-Ta”, hoor ik opeens. Hij schrikt wakker en kijkt me aan.
“Wat is er, jongen? Zou jij niet eens aan het werk gaan, voordat je wieg echt in de afgrond stort?”
“Ja, meneer.” Ik kruip weer achter de computer en duik in een stapel papier. Stilletjes lach ik in mezelf, de oude snoeper. Sommige dingen veranderen ook nooit. Ook hij droomt nog steeds van jonge meisjes. Mooie jonge meisjes, piepjonge meisjes, kleine Lolita’s.
© La
* vrij naar de eerste zin van de autobiografie van Vladimir Nabokov -
Speak, Memory - 1951
Lees ook
Tussen twee werelden bij:
Carla
John
Leonie
Linde
Silver
Theo
Yozev