Member details
 Show in normal design
Ik schrijf hier af en toe wat verhaaltjes. Het merendeel van wat ik schrijf is fictie. Er is geen enkele gelijkenis aan te wijzen met personen uit mijn echte leven.

Ik heb een tweede profiel waar ik mijn meningen en observaties plaats.

Mijn andere stem is meestal niet aardig en is nogal cynisch ingesteld. Alle teksten gezamenlijk staan op web-log.nl.

Ik waardeer het ten zeerste als je het meldt als je typ- of spelfouten ziet!
 
22 Jun, 18:24
Hij doet een stap achteruit. Met zijn hoofd een beetje schuin tuurt hij door zijn wimpers naar zijn werk. Hij zucht, gooit zijn kwasten neer en loopt naar de radio. Zachte klanken vullen de kamer. De zon glipt tussen een kiertje van de gordijnen door.
Hij zakt neer in een leunstoel die hem uitzicht biedt op zijn werk. Van een afstand ziet het er goed uit. Een indringende blik staart hem aan, een blik die hem door de hele ruimte achtervolgt, zoals altijd. Ze is prachtig, in de donkerblauwe fluwelen jurk met haar donkere haar in lange strengen over haar schouder. Het fluweel nodigt uit tot aaien. Haar huid is blank.
Van dichtbij ziet hij echter dat het weer niet gelukt is. Hij heeft haar al zo vaak geschilderd en loopt steeds tegen hetzelfde probleem aan. De bloemen, het lukt gewoon niet. Hij kan alles schilderen, alleen die rozen. Wat hij ook doet, ze worden altijd té rood, te vurig naar zijn smaak.
Hij leerde haar kennen toen hij jong was. Als model kwam ze op de academie, in die blauwe fluwelen jurk. Met blote schouders en haar donkere haar was zij de vrouw die hij slechts uit dromen kende. Achter haar stond een bos donkerrode rozen.
Hij had haar geschilderd. De docent had hem gecomplimenteerd. Hij vond het zelf echter niet geslaagd. Hij zag een prachtige kleurencombinatie voor zich, de diep donkerrode rozen, het blauwe fluweel, haar roomkleurige huid en de lange donkere haren. Het was een beeld dat hem raakte. Als hij naar zijn schilderij keek, miste hij iets.
Het had hem nooit meer losgelaten. Inmiddels heeft hij haar ontelbare malen geschilderd, op kleine en grote doeken, met olieverf, met aquarelverf, met krijt. Zijn atelier staat vol doeken van haar. Telkens hetzelfde beeld, met elke keer weer die ogen en die mislukte bloemen.
Hij staat op, pakt een kwast en mengt rode verf. De kleur is zoals hij zich herinnert. Hij loopt naar het doek en schildert de rozen opnieuw. Het lijkt heel erg goed, maar toch mist hij weer de juiste tonen.
Roses are red my love, violets are blue. Sugar is sweet, my love. But not as sweet as you”, zingt een vrouwenstem, terwijl de deur opengaat. Haar ogen kijken hem lachend aan. Een paar extra ogen, dezelfde die de ruimte vullen. Deze ogen stralen echter warmte en liefde uit. Er tekenen zich wat kleine rimpeltjes rondom haar ooghoeken af. Haar donkere haar is nog net zo mooi als vroeger.
Ze gooit haar jas op de leunstoel, loopt naar hem toe en slaat haar armen van achter om hem heen. Haar hoofd rust tussen zijn schouderbladen. Hij voelt de warmte van haar lichaam tegen zijn rug.
“Lukt het weer niet, schat?”, mompelt ze zachtjes, met haar gezicht in zijn trui.
“Nee, die rotbloemen. Ik krijg de kleur wéér niet goed.”
“Houd er dan ook mee op, lief, wat maakt het uit. Schilder eens iets anders dan die bloemen.”
“Nee, ik wil dat het lukt. Het moet.”
“Doe dan die zogenaamd mislukte schilderijen weg. Ik vind het niet leuk hier. Al die ogen die je aanstaren.”
Ze wrijft haar wang over zijn rug en aait zijn borst. Hij gooit zijn kwast neer, draait zich om en pakt haar bij haar polsen. “Laat me nou maar. Ik schilder genoeg andere dingen. Eens wil ik deze goed krijgen. Jij, zoals je vroeger was en die bloemen horen daarbij.”
Ze gaat met opgetrokken benen zitten in de stoel en kijkt zwijgend toe hoe hij driftig verder schildert. Zachtjes neuriet ze mee met de radio. Hij zit op zijn knieën voor het meer dan menshoge schilderij.
De blik in de ogen hindert haar. Ze staat op en slaat de deur hard achter zich dicht. Hij haalt zijn schouders op en kijkt naar zijn schilderij. Zijn droombeeld staart hem aan. Hij laat zijn blik naar beneden glijden en haalt geërgerd zijn schouders op als hij de rozen ziet. Hij zet de radio hard en loopt naar het kleine keukentje om zijn materiaal schoon te maken.
Wanneer hij terugkeert, staat een bos donkerrode rozen in een vaas vóór het schilderij, precies voor de geschilderde rozen. Zijn hart wordt getroffen door het beeld dat hij ziet. Dit is precies waar hij al jaren naar zoekt en wat hem steeds niet lukt. In de stoel zit zij, in de blauwe fluwelen jurk, met haar haar over haar schouder. Ze lacht naar hem en staat op. Ze slaat haar armen om zijn nek en kust hem. Hij tilt haar op en gaat samen met haar in de stoel zitten. Opeens heeft ze een blauwe klaproos in haar handen en schuift hem achter haar oor.
“De winkel was nog open. Ze hebben kunstbloemen in echt alle kleuren. Deze is ook wel leuk, toch?”
Hij pakt de blauwe klaproos en staat op. Met wat lijm plakt hij de bloem op het schilderij, achter haar oor. Proestend van het lachen staan ze op, trekken hun jas aan en lopen naar buiten. Hij pakt zijn fiets. Zij tilt de jurk hoog op en springt achterop. Haar lange benen, gestoken in een spijkerbroek, bungelen aan weerszijden van zijn fiets. Een lapje donkerblauw fluweel is nog net zichtbaar.

© La

voor Cornell
8 Jun, 15:04
Door het openstaande raam waaien de klanken van een viool naar binnen. Ze klinken ijl op en worden weerkaatst door de hoge gevels van de huizen. Even weet ik niet waar ik ben. Het bed is hard en smal en het kussen is veel te dik. Mijn nek doet pijn, mijn hoofd bonkt en mijn mond is droog.
Ik tast naast me, maar daar is niets. Ook aan de andere kant niet. Ik lig in een leegte, in een donkere kamer. Ik staar naar waar het plafond zou moeten zijn en voel tranen opwellen. De viool zingt zich een weg naar mijn hart en raakt zachtjes mijn ziel aan.
Een nare, bedompte lucht dringt mijn neus binnen en mijn herinnering komt terug. De urenlange vliegreis, het eindeloze wachten, het wezenloze gevoel waarmee ik naar de klok op het vliegveld keek die tergend langzaam vooruit ging.
Toen ik niet meer wist welke dag het was, stond ik opeens buiten, op een vliegveld in een warme stad. De taxi had me vlakbij het pand afgezet waar ik via internet een kamertje gehuurd had. De chauffeur wuifde nonchalant naar een smal steegje, waar hij niet in kon rijden.
Een norse en slaperige man deed de deur open en was me voor gegaan de eindeloos lange trappen op. Mijn rugzak woog als lood en paste nauwelijks door het smalle trapgat. Uiteindelijk waren we boven gekomen. De man zwaaide een krakende deur open. Zachtjes zei hij: “Voila, madame”.
Hij drukte een sleutel in mijn handen, draaide zich om en stommelde de trap weer af. Ik had me op het bed in het piepkleine kamertje laten zakken en was waarschijnlijk direct in een diepe slaap gevallen.
Een vrouwenstem klinkt op. In een vreemde taal valt ze de viool bij. Soms neuriet ze zachtjes. Haar donkere melancholische stem komt via de gevel mijn kamer binnenwaaien. Er begint een kerkklok te luiden ergens in de verte. Even abrupt als het begon, stopt het ook weer.
Ik zwaai mijn benen over de rand van het bed en kom overeind. De vloer voelt prettig en stevig aan. Mijn hoofd duizelt en mijn armen en benen zijn zwaar als ik naar het raam wankel. Ik moet me vasthouden aan de muur.
Als ik mijn hoofd uit het raam steek, klinkt een luide stem op. “Bon soir, mademoiselle!” Een kus in de lucht volgt. Buiten is het een drukte van belang. Het straatje is zo smal dat ik de overburen aan tafel kan zien zitten. Tussen de huizen door zijn in de verte een grote kerk en hoge gebouwen zichtbaar.
Ik heb geen idee hoe laat het is, maar het moet ver in de middag zijn. Nu het gordijn open is, neem ik het kamertje in me op. Het is klein en meer dan een kast, een bed en een tafel met een gammele stoel staan er niet in. Toch ziet het er lief uit. Ik houd het hier wel een tijdje uit. Thuis is opeens vlakbij, realiseer ik me. Dit is Europa.
Ik voel me slap, maar dat is de honger waarschijnlijk en de jetlag. Ik zal de deur uit moeten om eten te halen. Buiten valt een klamme warmte op me. De huizen zuchten onder de hitte van een grote stad in hartje zomer. Het steegje is vies en donker. Overal staan vuilcontainers en de lucht van rottend eten en vocht domineert. Om de hoek is het het totaal anders. Een levendig beeld ontvouwt zich, mensen dwalen door de straatjes, zitten in de schaduw van een grote boom op een terrasje iets te drinken, kinderen spelen in hoekjes en op het plein flaneren jonge geliefden. De viool klinkt nog steeds en lijkt alleen voor mij te spelen. Hij voert me mee naar de oude wereld en begeleidt me naar het heden.
Met een broodje in mijn hand ga ik op het plein zitten en laat de stad aan me voorbij trekken. Morgen moet er alweer gewerkt worden. Deze dag, althans wat er van over is, is voor mij. Voorzichtig dringt de werkelijkheid binnen. Problemen genoeg om op te lossen. Ik ben hier niet voor niets naar toe gestuurd en zij…Als ik aan haar denk, dan zinkt de moed al in mijn schoenen. Twee maanden met haar, de verwende, rijke Amerikaanse met haar enorme scala aan complexen, met haar slechte stem en haar frustraties. Ik schud haar van me af, morgen is vroeg genoeg.
Ik adem de oude Europese wereld met volle teugen in. De prachtige oude gebouwen, de mensen die hier zoveel kleiner en tengerder zijn en hun opgewonden geratel, hun passie en hun vloeiende taalgebruik.
Als ik het straatje weer inloop en naar boven kijk, zie ik het gordijn zachtjes heen en weer waaien uit het raam van mijn kamer. De violist heeft zich op de grond laten zakken. Hij knipoogt naar me. Hij zit voor de ingang van de voordeur van mijn pension. Hij staat op, pakt mijn hand en drukt er een kus op. Als ik de trap oploop, hoor ik de viool weer zingen. Het lied van de oude wereld klinkt.

© La
1 Jun, 22:00
Ze zitten zwijgend in twee grote leunstoelen naast elkaar in de tuin, zoals ze bijna elke dag doen. Wanneer het wat kouder wordt, legt zij zorgzaam een deken over de benen van haar vriendin. Als het regent, zitten ze in de serre. Haar vriendin slaapt en zij kijkt naar de regendruppels die hun weg zoeken over het raam en naar de troosteloze natte tuin. Ze verlangt naar de warme zon die haar oude botten koestert.
De tuin is groot en staat in de zomer vol wilde bloemen. Vroeger noemden ze dat onkruid, maar sinds hun mobiliteit steeds meer afneemt, hebben ze een paar jaar geleden gezamenlijk besloten de tuin maar te laten voor wat hij is. Eén keer per jaar, meestal in de herfst, komt een jongen uit de buurt de dode bladeren en andere rommel weghalen. In de winter zitten ze meestal binnen bij de kachel, zelfs in het zuiden kan het flink koud zijn.
Al bijna zo lang ze zich kan herinneren, woont ze in Frankrijk, samen met haar vriendin, in een klein dorpje in het midden van het land. Ze leerden elkaar kennen toen ze een jaar of dertig waren en allebei alleen kwamen te staan met de zorg voor een paar jonge kinderen. Er ontstond een diepe vriendschap. Ze deelden dromen, verlangens en wensen voor de toekomst. Ze deelden een wanhopige zoektocht naar een geliefde om oud mee te worden. Ze deelden vrienden en vriendinnen, huizen, ambities en kleding en genoten van tijd tot tijd van elkaars lichaam.
Hun vriendschap was voor altijd en zou duren tot in de lengte der dagen. Die conclusie hadden ze getrokken toen ze elkaar een half jaar kenden. Ze voelden dat ze zielsverwanten waren en spraken af dat deze vriendschap nooit meer voorbij kon gaan.
Nu zijn ze oud en kijken de dood in de ogen. Hun gezondheid gaat zienderogen achteruit. Ze lopen beiden moeilijk en de geest van haar vriendin dwaalt rond in het verleden.
Er trekt een lichte huivering over haar rug. De laatste tijd heeft ze het steeds koud en haar knieën knikken als ze op wil staan. Haar vriendin is naast haar in slaap gedommeld. Ze kijkt even naar haar en ziet een glimp van de vrouw die ze vroeger was, een drukke, enthousiaste persoonlijkheid, verlegen en verongelijkt, toen al, dat het leven niet gaf wat ze hoopte. Zelf was ze net in de steek gelaten door haar man en ze kon het niet verkroppen dat hij haar afwees. Het voelde als gezichtsverlies en ze kon het zich niet voorstellen dat iemand haar niet meer wilde.
Ze zag zoveel overeenkomsten met die andere jonge vrouw, ze waren eenzaam en het klikte direct. Ze trokken samen op tegen de buitenwereld, tegen hen die anders waren dan zij, tegen hen die niet wilden zien hoe waardevol zij waren.
In het begin was het leuk. Ze voelden zich de koning te rijk en ze zouden het gaan maken. Het grote geluk zou komen, ze zouden zwemmen in luxe, beroemd worden en de man van hun leven vinden. Ze waren er van overtuigd dat dat ging gebeuren en alles en iedereen moest ervoor wijken.
Langzaam, naarmate de jaren vorderden, waren ze somber geworden. Ze ziet het nu wel een beetje. Ze hadden heel wat mensen tegen de haren in gestreken. Ze hadden vele vijanden gemaakt, ze waren als een stoomwals over iedereen heen gelopen. Hun arrogantie, ze glimlacht even als ze eraan denkt, kwam voort uit jaloezie en onzekerheid. Ze waren teveel met zichzelf ingenomen, al vindt ze, diep in haar hart, nog steeds dat ze bijzonder zijn en kwaliteiten bezitten die niet veel mensen hebben.
De beroemdheid en het grote geld waren echter nooit gekomen. Het huis waar ze al die tijd al wonen, is een bouwval en staat op het punt in te storten. Geld is er niet en elk dubbeltje moet omgedraaid worden om ten minste eten te kunnen kopen. Een geliefde hadden ze beiden nooit gevonden. Vrienden keerden zich van hun af, de kinderen groeiden op en gingen hun eigen weg. Ze zagen ze nooit meer.
De lucht betrekt en ze staat moeizaam op om haar vriendin te wekken. Het gaat zo regenen en ze kunnen beter naar binnen gaan. Haar vriendin kijkt haar verward aan met een verbeten blik in haar ogen.
“Wat is er, lieverd?”, vraagt ze.
“Komt hij nog eens? We moeten iets doen, de mensen, ik wil een man. Ik wil iedereen. Voor mij, alleen voor mij. Ze moeten hier komen. Ik ben mooi.”
Ze wordt bij haar arm gegrepen. Een oude hand wordt als een klauw om haar onderarm geslagen. De greep is nog stevig. Ze maakt wat susgeluidjes en trekt haar vriendin omhoog uit haar stoel. Gebogen en moeizaam wankelen ze naar de deur.
Ze weet het, eindelijk na zoveel jaren. Het einde is nabij, de lichamelijke schoonheid verloren, de dromen in rook opgegaan en illusies vervlogen in de ijle wind. Ze hebben slechts elkaar nog.

© La
25 May, 20:40
Het is stil, doodstil. Heel soms klinkt de roep van een krekel, ergens ver van hier. De bergen weerkaatsen alle geluiden tot in het oneindige. De hitte is bijna tastbaar, de zon brandt genadeloos aan een strakblauwe hemel en teistert alles wat in zijn blikveld komt. Bomen en struiken zuchten onder de droogte.
Het is hier nu nog groen, maar binnen enkele maanden zal alles verdrogen tot een dor landschap dat pas weer kleur krijgt wanneer de regen komt. Een zwoele geur van exotische bloemen hangt in de lucht. Een lichte verrotting is al merkbaar, als een overrijpe vrucht geeft de natuur haar geuren opdringerig aan de omgeving af.
De atmosfeer is sensueel en de geuren prikkelen mijn zinnen. Een lichte spanning maakt zich van me meester. Ik laat me in het hoge gras zakken. Het prikt een beetje. De lucht van de bloemen is doordringend. Het bijt in mijn ogen en kriebelt in mijn neus.
Ik haal diep adem. Ik moet er toch een keer aan wennen, aan dit land en het klimaat, de explosieve grillige natuur en de verleidingen die ze met zich meebrengt. De mensen hier hebben er geen last van, of leggen zich erbij neer.
In grote zwermen dwarrelen kleine vliegjes op wanneer ik ga liggen. Niemand kan me hier zien. Ik ben alleen. In de wijde omtrek is geen mens te bekennen. Al kan dat elk moment veranderen. Elke dag vervoert een lijnbus mensen naar de andere kant van het eiland. De weg is vlakbij. Twee keer per dag komt de bus en niemand weet wanneer. De grillen van de natuur hinderen het verkeer in sterke mate en de bus vertrekt pas wanneer de chauffeur gearriveerd is. Hoe laat hij aankomt, is elke dag opnieuw een verrassing.
Ik woon in een klein huisje hoger op de berg, net voorbij het hoogste punt, en verder gelegen van de weg. Als je niet weet waar het is, vind je het niet. Ik leef samen met een oudere dame en haar vijf jaar oude kleindochter. Het huis ligt aan de rand van een dorpje, een hechte gemeenschap waar iedereen elkaar kent en waar buitenstaanders niet welkom zijn.
De oude dame is lief en kookt heerlijk. Met handen en voeten praten we met elkaar. Haar stralende glimlach is veelzeggend, net als haar hand die mijn wang aait wanneer ze me niet begrijpt.
Het kleine meisje biedt me veiligheid. Ik ben van haar en zij is mijn vriendinnetje. Mijn steile blonde haar fascineert haar, net als mijn lichtblauwe ogen. Ze noemt me zonlicht in haar eigen taal, of vrouw van de zon.
Ze is een blij en sprankelend meisje, mijn beschermster. Ze mist haar vader die in het buitenland werkt, haar moeder leeft niet meer en ze woont bij oma. Ze is nu naar school en ik haal haar straks weer op. Dan lopen we hand in hand naar huis.
De mensen weten dat ik van haar ben en groeten me vriendelijk. Of eigenlijk ben ik van haar hele familie. Zonder haar zou ik belaagd worden door mensen die iets van me willen, die mij willen hebben. Zij geeft me de vrijheid hier te zijn en mijn leven te leiden.
Nu ik hier een aantal maanden ben, begin ik van het land en de mensen te houden. Ze bedoelen het niet slecht, al zou je op het eerste gezicht geneigd zijn anders te denken. Leven is hier overleven.
In de verte klinkt het naderen van de bus. De bergen leiden het geluid dat vreemde wegen volgt. Voorzichtig sta ik op, rustig vanwege de duizelingen. Een zonnesteek heb je hier zo te pakken. Grote zwarte pluimen naderen, de bus rijdt hier altijd langzaam vanwege de zachte berm en het diepe ravijn.
Het gevaarte rammelt voorbij. Muziek klinkt op, afgewisseld met de zware en soms haperende geluiden van de motor. De bus is afgeladen, op het dak liggen tassen en koffers hoog opgestapeld, talloze gezichten zijn te zien achter de ramen. Sommigen zwaaien. Twee donkere ogen staren me indringend aan. Mijn hart maakt even een sprongetje.
Wanneer de bus voorbij is, klim ik met moeite via het kleine uitgesleten voetpad de berg op. Takken zwiepen in mijn gezicht en mijn haar blijft hangen aan enorme rozenstruiken met grote doorns. Hijgend kom ik boven. Mijn kleine beschermvrouw staat al op me te wachten. Haar grote donkerbruine ogen kijken me lachend aan, haar gezichtje omlijst door talloze kleine vlechtjes.
“Ben je er al lang, lieverd?”. Ik probeer haar taal uit te spreken zoals het hoort.
Ze schudt haar hoofd. “Gaan we naar huis, zonlicht? Je hele gezicht is rood.”
“Ja, kom dan gaan we verder.”
Samen klimmen we naar beneden, naar het huis dat iets lager gelegen is. Wat zij niet weet, en ik wel, is dat haar vader er is. Als we het huis kunnen zien, hoor ik haar adem stokken. Ze kijkt me aan en ik knik. Ze rent het laatste stukje naar beneden en springt in de armen van haar vader. Ik loop achter haar aan. Hij vangt haar op en zwiert haar in de rondte. Ze slaat haar armen om zijn nek en haar benen om zijn middel. Ik loop op ze af, zijn grote zwarte ogen kijken me lachend aan.

© La
21 May, 21:00
“Mijn wieg schommelde boven een afgrond en mijn gezond verstand vertelde me dat ons bestaan niet meer is dan een vluchtig kiertje licht tussen twee eeuwigheden van duisternis.*”
Ik schrik op van mijn werk en draai me om naar het raam. Daar zit hij, mijn baas, de schrijver, in een leunstoel met zijn gezicht naar het raam gekeerd, zijn hoofd gebogen. Het late herfstzonnetje schijnt op zijn grijze haar.
“Wat bedoelt u, meneer?”
“Wat ik zeg, jongen.”
Hij draait zijn stoel en gaat rechtop zitten. Ik kijk hem onderzoekend aan. Hij knikt vriendelijk naar me en richt zijn ogen weer op zijn boek. Zijn bril hangt op het puntje van zijn neus. Zijn grijze haar is keurig achterover gekamd met een scheiding in het midden.
Hij is de laatste tijd vaker ver weg met zijn gedachten en ik kan hem niet altijd volgen. Als ik hem vraag waar hij aan denkt, dan mompelt hij wat. De meeste tijd zit hij te suffen, praat hardop of slaapt in zijn stoel.
Zijn hoofd zakt weer langzaam naar zijn borst, het laatste stukje met een schok. Een grote pluk stug grijs haar valt naar voren en blijft ergens halverwege de wakende en slapende wereld steken. Als ik hier onverwacht binnen zou komen, zou het op mijn lachspieren werken. Een gedistingeerde heer in een chique werkkamer met een pluk haar die ergens tussen hemel en aarde zweeft.
Ik ben eraan gewend en kan mezelf bijna niet bedwingen het haar terug te strijken in de goede richting. In plaats daarvan schud ik zijn schouder even. Hij schrikt. “Wat is er, jong?”
“Volgens mij viel u in slaap. U was aan het praten over een wieg en een afgrond.”
“Ik weet het niet, jong, ik denk dat ik hardop droom.”
Hij gaat weer rechtop zitten en pakt zijn boek met twee handen beet. Vanuit mijn ooghoek zie ik zijn grijze haar weer naar voren glijden. Het boek valt op de grond en ik pak het op. Nabokov, zijn biografie, autobiografie zelfs. Ik sla het boek open. Dat zei hij dus. De eerste zin uit het boek. Opeens maak ik me zorgen om mijn baas. Hij is de laatste tijd een beetje verward en hij valt voortdurend in slaap. Het zal zijn leeftijd wellicht zijn.
Wat moet hij trouwens met Nabokov? Van hem mag je toch wel verwachten dat hij dat werk al kent. Nabokov, de man die Lolita schreef, het boek dat ik stiekem las toen ik zestien was. Ik wilde het op mijn Engelse lijst zetten op de middelbare school, maar dat was verboden. Een reden werd er nooit bij gegeven.
Lolita, light of my life, fire of my loins. My sin, my soul. Lo-lee-ta: the tip of the tongue taking a trip of three steps down the palate to tap, at three, on the teeth. Lo. Lee. Ta.
Die duizelingwekkende zinnen vergeet ik nooit meer. Ik repeteerde het als ik op de fiets zat en onder de douche stond. Ik proefde het voorzichtig op mijn tong. Ik las en herlas het boek en werd verliefd op Lolita. Ik droomde over haar, haar naam zat als een liedje in mijn hoofd.
Nu, zo’n tien jaar later tref ik mijn baas opeens aan met de biografie van de schrijver van Lolita, de man in wiens hoofd zij ontstond en het verboden verlangen gestalte kreeg. Nabokov werd mijn voorbeeld, niet de dommelende schrijver naast me, ook al denkt hij dat wel.
De oude schrijver is inmiddels in diepe slaap en snurkt een beetje. Ik ben sinds kort zijn P.A., zijn hulpje zal ik maar zeggen. Ik mag zijn manuscripten nalezen op foutjes, zijn afspraken regelen met de uitgever en kopjes koffie voor hem inschenken. Het is een leuk baantje. Al vraag ik me af waar hij me van betaalt. Ik ken de verkoopcijfers van zijn boeken en dat stelt niet veel voor. Zijn uitgever moppert en wil dat hij nu eindelijk eens een bestseller gaat schrijven.
De schrijver is echter van zichzelf en zijn eigen werk overtuigd en trekt zijn eigen spoor door letterenland. Hij luistert naar niets of niemand. Al jarenlang publiceert hij aan de lopende band boeken die de normale boekhandels niet eens halen. Ze gaan direct de ramsj in en ik vermoed dat er hele stapels bij het oud papier terecht komen.
Arme schrijver, dolend tussen twee werelden, slijt hij zijn dagen. De hoop is nog niet vervlogen, maar de realiteitszin neemt af naarmate zijn leeftijd vordert. In zijn hoofd leeft hij in het grote land der letteren, in de echte wereld is hij een onbetekenend schrijvertje. Ik zal dat nooit tegen hem zeggen. Ik kijk wel uit, immers, wiens brood men eet, diens woord men spreekt...
Hij murmelt in zijn slaap, de oude man. Wat zegt hij nu? Ik loop naar hem toe en probeer te onderscheiden wat hij zegt.
“Lo-Lee-Ta”, hoor ik opeens. Hij schrikt wakker en kijkt me aan.
“Wat is er, jongen? Zou jij niet eens aan het werk gaan, voordat je wieg echt in de afgrond stort?”
“Ja, meneer.” Ik kruip weer achter de computer en duik in een stapel papier. Stilletjes lach ik in mezelf, de oude snoeper. Sommige dingen veranderen ook nooit. Ook hij droomt nog steeds van jonge meisjes. Mooie jonge meisjes, piepjonge meisjes, kleine Lolita’s.

© La

* vrij naar de eerste zin van de autobiografie van Vladimir Nabokov - Speak, Memory - 1951

Lees ook Tussen twee werelden bij:
Carla
John
Leonie
Linde
Silver
Theo
Yozev
18 May, 21:03
Hij is mijn kind, maar wat heeft hij een puinhoop van zijn leven gemaakt. Ja, ik weet het, hij heeft het zwaar gehad en niet geheel buiten mijn schuld om, maar het moet toch een keer stoppen? Wanneer krijgt hij grip op zijn leven, na al die jaren dat hij er met de pet naar gooide en alles deed wat God verboden heeft?
Zijn jeugd werd beheerst door de politieke situatie in ons land. Wij hadden geen tijd voor de kinderen. Natuurlijk, we zorgden voor ze en letten op ze, maar we hadden andere dingen aan ons hoofd. Bovendien, de kinderen zouden opgroeien en onze strijd voortzetten. Dat was hun lot. Ze moesten voorbereid worden op de toekomst. Het hogere doel stond voorop, toen en nu, ook al zwijgen tegenwoordig de wapens.
De kinderen zijn het product van een maatschappij die in een zware strijd verwikkeld was én is. Mijn kind staat echter al vijf jaar buiten de maatschappij en het gaat nog lang duren voor hij weer vrij komt.
Mijn lieve schat, wat kreeg hij het zwaar toen Ethan doodgeschoten werd. Wij, de ouderen, hadden niet in de gaten wat er met hem gebeurde. Hij trok zich terug en werd steeds stiller. Meestal zat hij zwijgend in een hoekje op zijn onderlip te bijten en velletjes van zijn vingers te trekken.
Op de begrafenis stond hij lijkbleek te kijken hoe de kist in de grond zakte. Zijn lippen trilden en zijn hand gleed in de mijne. Hij kneep zo hard hij kon. Ik wilde hem het liefste omhelzen, in mijn armen houden, maar dat was niet gepast. Bovendien moesten we voorzichtig zijn en zorgen dat we zo snel mogelijk gezond en wel thuiskwamen.
Toen hij een jaar of dertien was, verdween hij elke avond. We zagen hem bijna nooit meer. Ik weet niet waar hij was, op straat, denk ik. Ik had geen tijd om erover na te denken en was al blij als hij ’s nachts thuis was en ik hem ’s ochtends diep in slaap aantrof in zijn eigen bed.
Het ging slecht op school en hij spijbelde meestal. Hij vervalste mijn handschrift en jaren later werden bij een van de bombardementen talloze briefjes met smoesjes teruggevonden.
Mijn lieverd was toen al ver weg. Hij kwam nog wel eens thuis, in kennelijke staat. Ik weet niet precies wat hij gebruikte, maar hij werd permanent vergezeld van een walm alcohol. Ik vond een zakje wit poeder in een jas die hij even had laten hangen.
Ik heb meer dan eens geprobeerd hem aan te spreken als hij weer eens binnen kwam met kapotgeslagen handen en verwarde verhalen, bedelend om geld. Hij wimpelde me af, wilde er niets over horen, alles ging goed.
Hij was arrogant en asociaal en het werd steeds erger. We hebben hem de toegang tot ons huis uiteindelijk ontzegd. Het kon niet langer doorgaan. Er verdween van alles en we hadden jongere kinderen die een beter voorbeeld nodig hadden.
Mijn hart huilt om hem, mijn oudste, het kind dat mij voor altijd een moeder maakte. Hij was zo’n lief kind, vroeger, toen alles nog goed was. Wij hadden beter op hem moeten passen, vooral na het ongeluk van Ethan.
Toen hij een jaar of zestien was, zagen we hem nooit meer. We hoorden wel eens iets natuurlijk, en het was niet veel fraais. Ik sloot mijn ogen en hoopte dat hij tot inkeer zou komen. En toen, jaren later, stond de politie aan de deur. Hij was opgepakt. Hij had al het een en ander op zijn kerfstok, inbraken, vechtpartijen, dat soort dingen. Hij was betrokken geraakt bij een grote drugsoperatie. Te groot voor hem alleen, als je het mij vraagt. Hij kreeg de schuld én de straf.
Ik ben naar hem toe gegaan in de gevangenis. Wat was het zwaar in het begin. Zijn lichaam werd geteisterd door afkickverschijnselen. Het schokte heen en weer en uit alle poriën kwam stinkend zweet tevoorschijn. Mijn arme kind, ik kon slechts lijdzaam toe kijken. Na een paar weken knapte hij wat op.
En nu, na vijf jaar, lacht hij soms. Zijn ogen staan helder en alert. Hij heeft het zwaar en vecht een strijd uit met de spoken uit zijn verleden. Zijn handen zijn gehavend en zullen hem voor eeuwig herinneren aan een zwarte periode die een groot deel van zijn leven beslaat.
Ik wil hem zo graag een gelukkige tijd geven. Ooit zal hij dit oord verlaten, ik ben ervan overtuigd dat hij voldoende kracht heeft om daarna een goed leven op te bouwen. Hij gaat het redden, de schimmen van een verloren tijd zullen hem voor altijd vergezellen. Hij zal zijn eigen vrede met hen moeten sluiten.
Ik ben er als hij me nodig heeft. De fouten van vroeger zijn mijn eigen geesten. Ik vecht met de verloren tijd tot ik mijn eigen vrede gevonden heb. Eens zullen hij en ik elkaar lachend in de ogen kijken.

© La
Ooit was ik één stem, één ziel en één wezen. Tot die fatale zaterdagavond in het jaar 1983. Mijn geest spatte uiteen in talloze fragmenten. Hij versplinterde in een oogwenk en in een fractie van een seconde veranderde alles.
Vroeger was ik jong en onbezorgd. Ik kende het kwaad en de ellende om me heen niet. Het gefluister van de ouderen vond ik normaal, net als de handen die ze af en toe voor mijn oren hielden, toen ik nóg kleiner was. Natuurlijk begreep ik wel dat ze dingen voor me verborgen hielden. Ik was wel klein, maar niet dom. Als ik onverwacht ergens binnenkwam, dan hielden ze hun mond. Ze fluisterden als ik in de buurt was.
Die ouderen en hun gedoe interesseerden me niet zo. Ethan, hij had mijn onverdeelde aandacht. Hij was mijn vriend en hij woonde vlakbij, net om de hoek. Hij zat op een andere school dan ik, maar na schooltijd speelden we in de straten van onze stad, in de kapotgeschoten buurten, tussen het puin. De straat, die gesierd was met grote kraters, was ons speelveld.
Hier en daar stonden resten van huizen. Natuurlijk stonden er overal nog huizen, maar de kapotte tekenen voor altijd het beeld dat ik van mijn stad overgehouden heb, een grauwe stad, een sombere grijze omgeving waar het altijd regende. Het is het beeld van mijn jeugd, toen ik de eenheid in mezelf nog voelde.
Ik zie Ethan nog voor me, een opgeschoten joch van tien jaar, met te veel tanden voor zijn smalle gezicht en een petje waar de rafels aanhingen. Ik dacht altijd dat zijn ouders geen geld hadden om een lange broek voor hem te kopen, maar later, heel veel later, hoorde ik, dat het was vanwege de regen. Natte benen drogen sneller dan een natte broek. Bij zijn korte broek droeg hij een vuile jas en laarzen. Hij staat nog zo in mijn herinnering gegrift, dat ik hem zou kunnen tekenen, maar een beeldende gave bezit ik helaas niet.
Ik werd ouder, Ethan niet. De gevechten in mijn stad werden zwaarder, er vielen steeds meer doden. De schimmen uit het verleden staken de kop weer op, duidelijker en heviger dan ooit tevoren. Mijn vader verbood Ethan nog langer bij ons thuis te komen. Het was té gevaarlijk geworden.
We zagen elkaar op straat. Ik miste hem als hij er niet was. Op die bewuste zaterdagavond liepen we zomaar, we gingen nergens heen, waar zouden we heen moeten? Opeens was hij dood. Een verdwaalde kogel had zich in zijn achterhoofd gedrongen. Hij viel neer, een plas bloed kleurde de straat donkerrood. Ik had niks. Het gebeurde in minder dan één seconde, een seconde die bepalend zou zijn voor de rest van ons leven. Hij was dood en ik was er niet meer.
Ik groeide verder op voor galg en rad, ontwikkelde een fijne neus voor het gevaar en een groot reactievermogen. Ik heb voor heel wat kogels, vuisten en stenen weg moeten duiken. Ik heb me jaren lang verscholen achter drank, drugs, een grote mond en mijn vuisten. Ik kon slaan én rennen. Het interesseerde me allemaal niets, wie ik sloeg en wat ik deed, ik was ook dood, van binnen. Mijn lichaam leefde nog, maar dat was alles.
Een jaar of vijf geleden hebben ze me opgepakt en in de gevangenis gegooid. Het doet er niet toe waarom, wat er wel toe doet is dat ik na ging denken. Ik kon niet anders en was volledig op mezelf teruggeworpen. Ik was de hele dag alleen en had niets te doen.
Ik zat daar maar in een stilte die zo dik was, dat ik er tegen aan kon gaan liggen. Ik dacht aan hem, dat doe ik nog steeds en altijd, en vond langzamerhand wat van vroeger terug.
Ik heb mezelf in de ogen moeten kijken, en vond hem, hij, dat joch, die van het ene op het andere moment levenloos op straat lag. Als een geest achtervolgt hij me, hij woont in mijn hoofd, beheerst mijn dromen en koortsachtig jaag ik achter hem aan. Hij is ongrijpbaar en springt telkens uit mijn handen, net als ik hem bijna te pakken heb. Ik weet dat hij talloze fragmenten van mij in zijn handen en jaszakken heeft en ik wil ze terug. Langzaam, stukje bij beetje, krijg ik ze van hem.
Ik voel voor het eerst in vijfentwintig jaar dat ik weer besta, dat ik er ben. Alle hoeken en gaten van mijn geest struin ik af, op zoek naar andere splinters en ik vind ze, overal. Ik maak een reis naar het verleden en zoek mijn stem.
Ik ben klaar voor diepe dalen en zoek grote hoogten. Schimmen van een verloren tijd jagen me na. Ik moet nog tien jaar achter de tralies. Ik heb de tijd.

© La
Ik ontmoette Julian in een kroeg waar ik wel eens kom. Het is een dorpskroeg, of eigenlijk is dat niet het goede woord. Het is een kroeg in een klein stadje, die aanvoelt als een dorpscafé. Dit hele stadje denkt trouwens dat ze een dorp is. Ik woon hier sinds kort en het valt me zwaar tegen. Ik waan me in de jaren zeventig in een dorp in de provincie. Ik heb hier wel wat leuke mensen leren kennen, maar ik mis mijn oude leventje, een leven dat sprankelt, waar mensen open staan voor anderen, voor de kansen die het leven biedt en voor nieuwe dingen.
Die vermomde dorpskroeg is een grote zaak, waar het best leuk kan zijn op zaterdagavond. Er komen allerlei mensen, van jong tot oud, van bezadigd en behoudend tot puur en fris. De muziek is er aangenaam, een van de weinige zaken hier waar je wat anders hoort dan uitgekauwde top 40-hits van vroeger.
Jammer alleen, dat die Marcel er ook altijd komt, met zijn vermeende harem. Zou hij nu zelf niet inzien dat hij vrouwen alleen maar lastig valt? Hij is geen onaantrekkelijke man, maar de manier waarop hij uit zijn ogen kijkt, klopt niet. Een onterechte arrogantie, een stiekeme, onoprechte blik straalt je tegemoet. Hij ziet het gewoon niet dat hij mensen, en vooral vrouwen, alleen maar lastig valt, dat iedereen hem hier wel kent, maar zijn schouders ophaalt als hij binnenkomt, dat hij hinderlijk is en vochtig spreekt, dat hij zichzelf ontzettend interessant vindt en zich opdringt zoveel hij kan.
De rillingen lopen over mijn rug als ik hem tegen het lijf loop. Je kunt hem nooit gewoon tegenkomen en groeten. Hij houdt je staande, legt zijn hand op je arm, kijkt je aan alsof je de liefde van zijn leven bent en als hij de kans krijgt drukt hij zijn lichaam tegen je aan. Hij creëert speciale onderonsjes met vrouwen waarmee hij zichzelf volkomen voor gek zet. Alleen lijkt hij het niet te zien.
Je ziet hem nooit samen met vrienden, hij is altijd alleen en klampt de eerste de beste vrouw aan die hij tegenkomt én, hoe jonger hoe beter. Ik heb wel eens te doen met die jonge meisjes die het zich aan laten leunen. Hij betaalt alles voor ze, neemt ze mee naar dure restaurants en praat ze zijn bed in. Na een paar weken is het dan weer voorbij. Het meisje een illusie armer en Marcel opnieuw op jagerspad.
Ook oudere meisjes en vrouwen probeert hij te paaien. Hij ziet blijkbaar niet dat iedereen zich wegdraait en slechts de beleefdheidsnormen in acht neemt. Ze giechelen achter zijn rug om en de gelederen sluiten zich als hij arriveert. Niet dat hij zich daar wat van aantrekt, hij wringt zich er gewoon tussen, zonder pardon.
Julian is een vriend van hem, van vroeger, een artiest. Zijn gezicht kwam me meteen bekend voor, waarschijnlijk omdat hij met enige regelmaat op televisie verschijnt.
Julian is een flirt, maar wel een hele lieve. Interessante gesprekken wisselt hij af met subtiele verleidelijke blikken. Ik weet dat Abraham op zijn deurmat vertoeft, wachtend tot hij binnengelaten wordt, maar het lijkt alsof het Julian niet interesseert. Hij speelt alsof hij achttien is en versiert elke vrouw die versierd wil worden. Niet vanwege het versieren, maar vanwege het spel, een spel dat niet noodzakelijkerwijs ergens toe hoeft te leiden. Julian houdt van vrouwen, daar komt hij eerlijk voor uit, maar zijn interesse is oprecht en niet elke vrouw bestaat ter meerdere eer en glorie van hemzelf.
Hij is een bijzonder mens, welbespraakt, grappig, vriendelijk en met vele interessante verhalen. Marcel, wat was hij jaloers toen ik met Julian aan de praat raakte. Later, heel veel later en na talloze drankjes, werd hij vervelend. Hij kon niet van me af blijven, van geen enkele vrouw eigenlijk. Hij zocht ruzie met Julian en claimde het alleenrecht op mij. Hij eiste dat ik met hem meeging naar huis.
Wat denkt hij wel niet? Ik ben geen handelswaar of een van zijn zielige vriendinnetjes die niemand meer kunnen krijgen, en toehappen bij elke flintertje aandacht, die roze wolken zien als er een hand op hun arm gelegd wordt. Geef mij maar een goed gesprek, geef mij maar een leuke avond met iemand als Julian, die heeft wel even wat meer te vertellen dan alleen wat dorpsroddels en praat tenminste niet de hele tijd over zichzelf.
Ik had wel te doen met Julian. Hij kwam een oude vriend van vroeger opzoeken, die niets anders deed dan vrouwen versieren en laten zien dat hij populair is. Maar wat hebben we een lol gehad om Marcel en zijn krampachtige gedraai om alles wat er als een vrouw uitzag.
Het was de laatste keer dat Julian in zijn geboorteplaats geweest is en hij heeft me doen inzien dat ik hier niet op mijn plek ben, dat dit niet de juiste stad is voor mij om te wonen. Zijn levendige en vriendelijke uitstraling, zijn openheid en zijn interesse maakten dat hij me direct voor zich innam. We werden vrienden en herhaalden onze avonden met enige regelmaat, in een andere stad en ver uit de buurt van Marcel. Zij zagen elkaar nooit meer. Marcel sprak me nog wel eens aan en vertelde verhalen over de Julian van vroeger, de jongen die hem altijd de ogen uitstak als het om meisjes ging. Bij elk woord groeide mijn sympathie voor een man die zo wijs was geweest dit dorp te verlaten en nooit meer terug te keren, een man die Marcel voor altijd links liet liggen.
Hij stapt uit bad, zijn gezicht fris geschoren, zijn lichaam aangenaam geurend naar een kostbare badolie. Hij hult zich in zijn badjas, steekt zijn handen in de zakken en kijkt voldaan naar het mooiste kostuum dat hij bezit. Het komt net terug van de stomerij en hangt aan een hangertje aan de deur te wachten tot hij zijn lichaam erin laat glijden.
Vanavond gaat hij Julian weer ontmoeten, na een jaar of dertig niets van hem gehoord te hebben. Julian, de populairste jongen van de klas, het lievelingetje van alle meisjes, die vielen op zijn mooie haar, zijn blauwe ogen en zijn nonchalante gedrag. Hij is benieuwd wat er van die bravoure is overgebleven, nadat het verval is toegeslagen.
Vroeger waren ze vrienden. Hij had zich opgetrokken aan Julian die hem in contact bracht met de mooiste en liefste meisjes. Hij had de afdankertjes mogen hebben. Toen was hij er blij mee, maar als hij eraan terug denkt, voelt hij de oude jaloezie weer opborrelen.
Julian had contact gezocht via een internetsite en een ontmoeting voorgesteld. Hij had enthousiast geklonken en was blij hem na al die jaren weer gevonden te hebben. Maar hijzelf was Julian helemaal niet kwijt geraakt. Hij kon de televisie niet aanzetten of zijn gezicht kwam voorbij.
Hij was Julian altijd blijven volgen. Langzaam, door de jaren heen, zag hij de wallen onder de ogen groter worden en de rimpels toenemen. Ja, stoer was hij nog wel en hij lachte altijd, maar dat was vast de schijn van de beroemdheid, de glamour die het allemaal met zich meebracht. Hij is ervan overtuigd dat Julian niet meer de aantrekkelijke, stoere jongen van vroeger is. Daarom wil hij hem wel weer ontmoeten. Hij snakt ernaar dat de rollen eens omgedraaid zijn.
Hij laat zijn badjas open vallen en kijkt naar zijn eigen lichaam. Het kan er nog goed mee door, al heeft de zwaartekracht wel invloed gehad. Zijn vel kan hij pakken. Het is geen vet, het zit gewoon los, alsof hij een te ruime jas aan heeft.
Tandenknarsend denkt hij aan de dag die met rasse schreden nadert. Over twee maanden wordt hij vijftig. Vijftig, het klinkt oud en hij vraagt zich af hoe de meisjes erop gaan reageren. Hij is echter niet de enige die vijftig wordt, ook Julian voelt Abraham in zijn nek hijgen.
Vanavond zal echter zíjn avond zijn. Hij zal Julian wel eens laten zien dat oudere mannen meer aan hun uiterlijk moeten doen en dat gescheurde spijkerbroeken niet meer aantrekkelijk zijn als je boven de dertig bent, je kop vol rimpels zit en je wallen als zakjes onder je ogen hangen.
Hijzelf windt de meisjes al jaren om zijn vinger, met mooie pakken van de beste kwaliteit, met lekkere geurtjes en met galant gedrag. Vrouwen en meisjes van alle leeftijden, hij kan ze allemaal krijgen. Zijn laatste vriendin was negentien, een bloedmooie jonge meid. Ze deed alles voor hem en legde hem in de watten, tot ze opeens verdween.
Elke avond is hij omringd door de mooiste vrouwen. Gisteravond was een geweldige avond met zes prachtige vrouwen op leeftijd, sommigen alleenstaand met opgroeiende kinderen en hunkerend naar wat aandacht. Hij wil die aandacht best geven, hij, de meest begeerde vrijgezel van het dorp, met een prachtige auto, een duur huis en een chique kantoor. Hij is de beste prooi die er rondloopt en ze willen hem allemaal.
Hij kleedt zich aan, besprenkelt zijn wangen met aftershave en loopt kalm en zelfverzekerd naar de plek waar ze afgesproken hebben. Julian praat met een paar vrouwen, oudere vrouwen weliswaar, die in elke man boven de veertig een potentiële kandidaat zien om oud mee te worden. Allemaal bang om alleen achter te blijven.
Hij begroet Julian, schuift hem aan de kant en schenkt de vrouwen zijn onverdeelde aandacht. Zie je wel, ze zien het wel dat hij een betere partij is. Hij bestelt drankjes voor iedereen en kijkt onverwacht in de helderblauwe ogen van Julian, die hem vriendelijk aankijken.
Over Julians schouder ziet hij Karin aan komen. Karin, ook zo’n vrouw, maar dan net even anders. Ze draait haar hoofd weg en gaat aan een tafeltje zitten. Kijk dat nou zitten, arrogante kop, vast onzekerheid. Hij staat op en gaat naar haar toe. Hooghartig kijkt ze hem aan, terwijl hij zijn hand op haar arm legt. Ze schudt hem af.
Julian is er inmiddels ook bij komen staan en steekt zijn hand naar haar uit, terwijl hij zijn naam zegt. Ze legt haar hand in de zijne en lacht. Even later zijn ze in een druk gesprek verwikkeld. Hij hangt er maar een beetje bij.
Is het nu nog steeds zo dat hij de tweede viool speelt bij Julian? Hij kijkt om zich heen, ziet een paar lekkere dames staan en voegt zich bij hen. Hij fluistert een van hen wat in het oor en pakt een tweede bij haar arm. Hij drukt zijn lichaam even tegen haar aan. Zie je wel, gewillig zijn ze als hij in de buurt is. Laat Julian maar met dat arrogante mens.
Diep in zijn hart is hij boos. De enige die niets van hem moet hebben, bij wie er niet meer dan een minzaam knikje van af kan, die hem mateloos intrigeert, heeft interesse in Julian. Dat zal je net zien. Hij kan ze allemaal krijgen, alleen die ene niet en daar gaat Julian mee aan de haal.

Lees hier Drieluik in Verval: 3. Karin - slot
Hij kijkt nog eens in de spiegel en strijkt met zijn wijsvinger over de diepe groeven in zijn voorhoofd. Zijn gezicht tekent de laatste jaren steeds scherper. Als hij even te weinig slaapt dan is het direct te zien. Zijn hand glijdt door zijn weelderige lange haar. Dat is hem gelukkig bespaard gebleven, kaal worden, in tegenstelling tot vele leeftijdgenoten die het moeten doen met een restje haar op hun achterhoofd, als ze dat al hebben.
Zijn haar heeft nog steeds de donkere kleur die het meekreeg bij zijn geboorte, al vertelt hij niemand dat hij af en toe een spoeling gebruikt om de zilveren draden te versluieren. Waarom zou hij er ouder uit zien dan strikt noodzakelijk is? Zijn slanke, pezige lichaam kan er nog best mee door en niemand zou zeggen dat Abraham met grote stappen aan komt wandelen.
Hij kijkt nog eens goed naar het totaalplaatje. Zijn lange, dunne benen steken in een gescheurde spijkerbroek waaronder nog net afgetrapte cowboylaarzen te zien zijn. Een wit oversized overhemd en een veelkleurige sjaal maken het geheel af.
Hij graait zijn lange kameelharen jas van de kapstok en trekt hem aan. Hij werpt een laatste blik in de spiegel. Het beeld bevalt hem wel. Hij rent de trap af, gooit de buitendeur dicht en springt in de auto. Achterin liggen zoals altijd een slaapzak en een luchtbed. Hij ziet wel waar hij slaapt vannacht. Je weet immers nooit wie je tegen het lijf loopt. Zijn dochter, met wie hij samen woont, is op stap met vriendinnen en redt zich wel.
Julian heeft zijn moeder hem genoemd. Vroeger wilde hij altijd liever Kees of Dirk heten, maar de laatste jaren begint hij de naam steeds meer te waarderen. Hij is bij hem gaan passen, als een leren jas die na jaren eindelijk goed gaat zitten.
Hij is artiest en reist de hele wereld over. Een paar weken vakantie grijpt hij aan voor familiebezoek en afspraken met vrienden. Hij heeft vanavond een afspraak met een vriend van vroeger, Marcel.
Ze hebben samen op de middelbare school gezeten, deelden lief en leed, huis en haard, brommers en meisjes, en waren elkaar na het eindexamen uit het oog verloren. Op internet kwamen ze elkaar weer tegen. Marcel is een succesvolle advocaat, single en kinderloos, en woont nog steeds in de plaats waar ze samen opgroeiden.
Terwijl zijn auto over de stille wegen raast en de muziek uit de speakers knalt, vraagt hij zich af wat de avond zal brengen. Uit het kleine en onscherpe fotootje van Marcel, dat op internet staat, is weinig meer af te leiden dan dat hij ook nog steeds donker haar heeft en niet kaal is.
Hij hoopt dat het net zo klikt als vroeger. Het korte voorafgaande telefoongesprek was bemoedigend, al stoorde het accent van Marcel hem wel, een accent dat hijzelf, na jaren, eindelijk afgeleerd had. Hij komt weinig tot nooit meer in zijn geboorteplaats en hoopt vanavond ook andere bekenden van vroeger tegen te komen.
Hij voelt een lichte spanning omdat hij niet weet wat hem te wachten staat. Gelukkig vermaakt hij zich overal wel. Door zijn werk komt hij met allerlei mensen in aanraking en is hij al zo vaak alleen tussen vreemden geweest. Het geeft een soort bevrijding, ergens zijn waar je niemand kent, geen oordelen, geen gevolgen, hooguit wat vreemde blikken als je ergens binnenkomt.
Hij is ruim een half uur te vroeg en het is nog redelijk rustig in de kroeg als hij aankomt. Marcel is er nog niet. Twee middelbare scholieren hangen rond bij een flipperkast en de barman staat op zijn nagels te bijten. Er zitten een paar vrouwen van middelbare leeftijd aan de bar. Hij kijkt even naar ze. Eén van de vrouwen vangt zijn blik en lacht. Hij besluit naar ze toe te gaan.
Ze giechelen. Hij vraagt zich af hoe dat toch zit met die wezens van het andere geslacht. Blijven ze dat nou tot in de lengte van dagen doen, dat onzekere gegiechel? Ook als ze de veertig al gepasseerd zijn? Ze zijn niet onaantrekkelijk, een beetje ouderwets misschien en aan hun kleding te zien vrij behoudend. Eén van hen hangt met haar ogen aan hem. Wat zou ze willen? Is het misschien iets voor vanavond?
De deur gaat open en er komt een man binnen, zijn rug licht gebogen, zijn ogen diep verzonken tussen wallen. Hij is slank en draagt een mooi grijs pak met stropdas. Zijn ogen spieden de ruimte af en hij komt zijn richting op. Het is Marcel.
Hij loopt op hem af en begroet hem. Een smalend lachje verschijnt om Marcels lippen, die direct zijn aandacht op de vrouwen richt. Hij gaat te dichtbij ze staan. Hij legt zijn hand op de arm van een van de vrouwen en kijkt haar diep in de ogen. De vrouw lacht schaapachtig.

Lees hier Drieluik in Verval: 2. Marcel